Op de middelbare school hadden we een leraar tekenen. Als je niet wist hoe je je tekening beter kon maken, ging je naar zijn bureau. Hij pakte je vel papier en hield het voor zich, bekeek elk onderdeel en dan het geheel, en meestal stelde hij dan een vraag: “Wat zou er gebeuren als je dit element meer accent gaf? Wat zou er gebeuren als je hier een andere kleur gebruikte?”
Ergens, toen hij al een paar jaar onze leraar was, tekende hij een poppetje op het bord; of, nou ja, een poppetje… een ovaal (het hoofd) met een driehoek (de neus). Op dat moment besefte ik ineens: hij had nog nooit iets voorgedaan. Hij kon ongetwijfeld geweldig tekenen, maar wij hadden nog geen schets van hem gezien.
Lees verder
Jaren geleden werkte ik in een winkel. Om 22:45 mochten we dicht, en om 23:00 mochten we naar huis. Vóór 22:45 moest er nog een hoop gebeuren: kassa’s tellen, kranten uit de rekken halen, etc. Ik was de jongste medewerker, maar vaak genoeg kwam het voor dat niemand van de mensen die er langer werkten dan ik de leiding nam. Als dat gebeurde, liep alles in het honderd en waren we om 23:30 nog niet klaar.

“Ja maar wat als”-vragen lijken heel vervelend voor ons als instructeurs, maar eigenlijk zijn ze heel belangrijk. In de meest positieve zin betekenen ze dat je leerling zelf gaat nadenken over hoe dingen in elkaar zitten. In negatieve zin duiden ze vaak op weerstand om zelfverdediging te leren. Daarom is het belangrijk om te weten wat er achter die vraag zit.