Hoe bruikbaar zijn martial arts?

jin - kracht die een samenspel is van spierkracht, houding en structuur

“jin” – kracht die een samenspel is van spierkracht, houding en structuur

Alle basisprincipes van zelfverdediging kun je leren in een korte cursus. Maar het is leuk om je hele leven te blijven trainen. Dat leven lang leren kun je vinden in martial arts als karate, wushu, pencak silat, eskrima en vele andere.

Als je eenmaal een cursus zelfverdediging hebt gedaan, zul je martial arts makkelijker begrijpen. Maar je zult ook allerlei dingen gaan zien die haaks staan op wat je geleerd hebt. Sommige onderdelen van martial arts lijken verdacht veel op kwakzalverij. Toch denk ik dat vrijwel alle martial arts afstammen van iets wat ooit heel bruikbaar was. Alleen moet je soms wat graafwerk doen om ze weer bruikbaar te maken.

Kwakzalverij

Kwakzalverij groeit het makkelijkst op plekken waar mensen heel graag willen dat er een magische bescherming bestaat. Bij mensen die lijden en maar geen uitweg vinden, is dat logisch, en dat is waarom mensen die al lijden ook zo’n geliefd doelwit van oplichters zijn. Maar ook een cultuur kan een rijke voedingsbodem zijn voor kwakzalverij.

Om infectieziektes te bestrijden, moet je bepaalde maatregelen nemen. Dat kan niet anders. En het kan ook niet anders dan dat die maatregelen ongemak veroorzaken. Dat is met alles zo: een autogordel zit niet altijd even lekker en stevige hoge schoenen met dikke sokken voelen ook niet altijd als een feest tijdens het wandelen in de bergen.

Maar sinds de start van de pandemie hoor ik vaak “zo kun je toch niet leven” of “je leeft in angst” als argument om geen maatregelen te nemen. Volgens mij is dat een nieuw gevoel. Als ik in de bergen ga wandelen, kijk ik eerst het weerbericht, ik trek wandelschoenen aan, ik zorg dat ik iets warms bij me heb, dat ik voldoende water en eten bij me heb en dat ik de kaart in grote lijnen uit m’n hoofd ken. Ik heb niet de overtuiging dat ik op de een of andere manier het “recht” zou hebben om zonder die voorbereidingen te gaan wandelen en te verwachten dat alles goed gaat.

Sterker nog: bij het zebrapad kijk ik goed naar links en recht en om me heen, ook al heb ik daar wel het recht om zonder kleerscheuren over te steken. Ik heb alleen niks aan dat recht als ik word overreden.

Het idee dat er een “recht” bestaat op een goede afloop, en een “recht” om nooit bang te hoeven zijn, is een aanknopingspunt voor kwakzalvers en oplichters. Instagram staat vol met “influencers” die jou willen laten geloven dat als je iets maar heel graag wil, je het ook krijgt. Dat is natuurlijk onzinnig: er is geen enkel mechanisme dat dit zou verzorgen. En als het wel zo was, zou het kwaadaardig zijn dat een jonge vrouw in Nederland die een paar duizend euro wil “manifesteren” dat zou krijgen maar miljoenen mensen in ziekte, honger, oorlog of andere erbarmelijke omstandigheden geen redding van “het universum” krijgen.

Ik denk dat dit een voortvloeisel is uit het huidige maatschappelijke klimaat waar “vrijheid van meningsuiting” als het hoogste goed wordt gezien. Als je vraagt wat er dan wordt bedoeld met die vrijheid, dan kom je er vaak achter dat mensen eigenlijk bedoelen: het recht om niet tegengesproken te worden; het recht om gelijk te krijgen ook als je geen gelijk hebt. Het recht om, zoals columnist Emine Uğur schrijft “anders te denken over dingen die gewoon meetbaar zijn.” En dat recht bestaat natuurlijk niet, net zo min als het recht op een goede afloop van alles wat je in het leven onderneemt.

Kwakzalverij in de martial arts

Het idee van magische bescherming leeft ook in martial arts. Er zijn allerlei scholen die onderwijzen dat er een soort magische energie is, “chi” of “ki” genoemd, die jou kracht zou verlenen buiten de kracht van je spieren en structuur om. Ik heb zelf een tijd lang les gegeven in “tai chi”, eigenlijk “taiji quan”, waar dit geloof wijdverbreid is. Er zijn zelfs mensen die denken dat de lettergreep “chi” in “tai chi” staat voor deze energie, maar dat is niet zo. Het Chinese woord “chi” (気), komt in de naam “taiji quan” (太極拳), “gevechtsmethode gebaseerd op het Taoisme” helemaal niet voor.

Het idee van “chi” is onderdeel van Oost-Aziatische cultuur en is niet te vertalen als de soort “magie” die er in het Westen vaak mee wordt voorgesteld. Op Papendal legde Japanse sociologe Ishikawa Satomi uit dat “chi”, zoals het karakter ook voorstelt, stoom (汽) van kokende rijst (米) is*. Stoom van kokende rijst is het meest alledaagse beeld in Oost-Azië en niet een of andere hocus-pocus cheat code om ergens bovennatuurlijke kracht vandaan te toveren.

Helaas, af en toe staan er ook in Azië figuren op die claimen dat je een tegenstander uit kunt schakelen zonder hem aan te raken. Gelukkig zijn er tegenwoordig steeds vaker mensen die daar een weddenschap van willen maken en de boel filmen, waarbij keer op keer blijkt dat “chi” helemaal niks doet tegen een tegenstander die niet een handlanger van de oplichter is.

Kun je als westerling ooit helemaal doorgronden en doorleven wat “chi” is? Ik weet het niet. Ik heb behoorlijk wat tijd met de Japanse cultuur doorgebracht, en ik voel ‘m niet, om het maar even populair te zeggen. Maar wat in elk geval niet werkt, is het woord “chi” plakken op westerse ideeën van bovennatuurlijke krachten of magie. Je hebt daarmee niet ineens een andere cultuur begrepen; je hebt alleen een nieuw woordje gevonden om op je eigen cultuur te plakken. Iedereen die jou probeert te verkopen dat er magische of bovennatuurlijke krachten zijn die je kunt leren beheersen, is een kwakzalver.

3 Problematische praktijken in de martial arts

1. Afstand

Hét probleem bij martial arts-trainingen dat ik bij alle disciplines zie, is het gebrek aan begrip van afstand. Op het moment dat je jezelf fysiek moet verdedigen, staat je aanvaller zo dichtbij dat hij of zij makkelijk genoeg kracht kan gebruiken om jou schade toe te brengen. Dit is per definitie zo, want anders is een bedreiging geen bedreiging.

De beste manier om deze afstand tijdens het trainen te checken is om tegenover je trainingspartner te gaan staan, je hand tot een vuist maken en die naast het oor van je partner te houden, met je elleboog gebogen en je schouder ontspannen. Zo dichtbij moet je staan om effectief te kunnen toeslaan. Als je traint op grotere afstand dan deze, train je in het luchtledige en dan vallen alle “technieken” die je zou kunnen leren, uit elkaar.

Vooral bij martial arts met wapens is het makkelijk om dit probleem te zien en te begrijpen wat de oorzaak is. Op te lange afstand sla je tegen elkaars wapens. Dat is zinloos maar wel spectaculair, want je hoort de klappen van de wapens tegen elkaar en het ziet er prachtig uit. Dit is toneelvechten. Heel mooi voor op het podium of in de film. En… het verkoopt goed als je op zoek bent naar leerlingen en je reclame wil maken voor wat voor spectaculaire dingen ze gaan leren.

Bij trainingen zonder wapens is het probleem meestal dat wij als mensen heel goed aanvoelen dat de afstand waarop een bedreiging een bedreiging is, heel kort is. Het voelt gewoon onprettig om op die afstand met elkaar bezig te zijn. Daarom zie je vaak dat studenten eerst op de juiste afstand beginnen, maar gaandeweg de oefening verder uit elkaar gaan staan.

2. De docent

Een tweede probleem is de leraar zelf. Die heeft het misschien niet altijd door, maar jij kunt het wel leren zien. Kijk maar eens naar filmpjes van demonstraties of naar instructievideo’s. Het is steevast de docent die de verdediger speelt, en de leerling die de aanvaller speelt. Maar als je de filmpjes zonder geluid kijkt, is het overduidelijk hoe de machtsverhouding echt ligt: de docent is de baas over het gebeuren. En dat zie je vaak aan hoe de docent de afstand controleert.

Kijk maar eens hoe de docent steeds in beweging blijft tijdens het uitleggen, zichzelf eerst in veiligheid brengt en dan pas een verdedigende beweging maakt. Dat kan in het echt natuurlijk niet; het kan hier alleen omdat de docent de baas is en de afstand onder controle heeft. In het echt is het juist de aanvaller die de afstand controleert, en heb je die vrijheid dus niet.

Dit is een lastiger probleem, omdat je als student altijd in een machtsverhouding zit ten opzichte van je docent. Het is lastig om kritisch op je docent te zijn, om kritische vragen te stellen. Maar het is wel keihard nodig. Ook docenten met de beste bedoelingen kunnen zo erg wennen aan het winnen tegen hun studenten, dat ze zelf niet meer door hebben welke kleine trucjes ze uithalen om zichzelf in een betere positie te brengen.

Zo weet ik van een docent die altijd uitlegt dat je je arm niet eerst terug hoeft te trekken voor je slaat, dat dit zelfs averechts werkt – en toch zie je het hem in all filmpjes doen. Het is niet leuk, maar wij docenten hebben allemaal mensen nodig die controleren of wij niet ergens de boel belazeren.

3. De superheldenfantasie

Een derde probleem is dan het idee dat bepaalde technieken “gegarandeerd” werken of dat je gegarandeerd kunt winnen. Dit is vaak ook weer een uitvloeisel van een docent die te weinig gecontroleerd wordt. Docenten hebben de neiging om tegen elk idee waar een leerling mee komt een oplossing te vinden en dan te laten zien dat ze toch weer winnen. Als de docent altijd wint, is dat een probleem.

Want wat leert een leerling van een docent die altijd wint? Het risico is groot dat een leerling daarvan leert dat ze zelf nooit winnen. Dat er mensen bestaan tegen wie niet te winnen valt. Of, in het tegenovergestelde geval: dat ze zelf ook iemand kunnen worden die onoverwinnelijk is. Beide overtuigingen zijn niet helpend.

Het is dus extreem belangrijk dat je als docent je eigen trucjes achterwege kunt laten, je overwicht vanuit de machtsverhouding wat kunt afzwakken, en eerlijk toegeven wanneer de leerling “een goeie move” heeft. Het is essentieel dat je leerling leert voelen wanneer een techniek succesvol is.

3. Manieren om beter om te gaan met martial arts

1. Taalgebruik

Het eerste bewustzijn om beter met martial arts om te gaan, is te begrijpen dat oude teksten stammen van voor modern wetenschappelijk taalgebruik. Om terug te komen op het idee van “chi”: in de oosterse traditie wordt gezegd dat de “chi” komt uit een gebied dat de “dan tien” heet, en een stukje onder de navel zit.

Nou is dat toevallig ook het zwaartepunt van je lichaam. En als je het zwaartepunt van je lichaam in beweging brengt, breng je je hele massa in beweging en kun je harder slaan dan als je alleen je arm beweegt. Waarschijnlijk is het verhaal over “chi” en de “dan tien” de manier geweest om woorden te geven waar wij nu termen als “massa” en “kinetische energie” voor gebruiken. Al onze voorouders waren gewone mensen die schreven over gewone dingen; dat ze woorden gebruiken die wij nu ongewoon vinden, komt door de bril waardoor wij naar het verleden kijken.

Sterker nog: het een grote invloed in oosterse tradities, het boeddhisme is helemaal gebaseerd op het erkennen van het gewone: ziekte, ouderdom, de dood. Het hoogste inzicht in het boeddhisme is “nyojitsu” (如実): “de werkelijkheid zien zoals ze is”. De schrijver van het bekendste duelhandboek, Musashi Miyamoto, hamert erop niet iets speciaals te maken van martial arts: “De manieren van staan zijn dan verdeeld in vijven; ze zijn allemaal bedoeld om mensen dood te maken.”

Het is dus belangrijk om dit in het achterhoofd te houden bij elke tekst of overlevering die je bekijkt. Wat zou dit in gewone mensentaal betekenen, hoe kun je dit matchen met wat we nu weten van natuurkundige principes? Veel oorspronkelijk teksten waarschuwen juist tegen geloof in magie en bovennatuurlijke krachten.

2. Check de toepassing

Het tweede inzicht is dat vrijwel alle teksten die we overgeleverd hebben, van het Italiaanse Fior di Battaglia tot het Japanse Go rin no sho, gaan over duelleren. En zelfverdediging is geen duel. Bij een duel heb je afgesproken dat je gaat vechten, en je stemt ermee in. Bij zelfverdediging zie je het geweld niet aankomen, en stem je er al helemaal niet mee in.

Gevechtsmethoden worden gemaakt onder bepaalde culturele omstandigheden. Het belang van een duel is dat het wordt gezien. Iedereen moet de uitkomst weten, en zien hoe de winnaar heeft gewonnen. Het is een spektakel. Hoe erg heeft dat de “technieken” van duelleren beïnvloed? Hoeveel van deze technieken zijn atletisch omdat het gezien worden ertoe doet? Bij zelfverdediging is er meestal per definitie niemand die ziet wat er gebeurt. Hoe verandert dat wat voor acties je neemt om te overleven?

Er is maar een constante en dat is dat alles constant verandert, dus natuurlijk weten we niet meer hoe gevechtsmethoden waren toen ze werden bedacht. Twee belangrijke manieren waarop ze zijn veranderd, zijn expres. Ten eerste werden technieken vaak “verbloemd” omdat kennis van gevechtsmethoden verboden werd of omdat docenten hun technieken niet zomaar wilden weggeven. Ten tweede omdat machthebbers “afgezwakte” technieken tot een officieel curriculum maken.

Maar ook per ongeluk veranderen gevechtsmethoden: doordat ze verkeerd worden begrepen, doordat bewegingen die bedoeld zijn als didactisch worden gezien als onderdeel van de techniek, en doordat leerlingen manieren van bewegen kopiëren van hun docent in plaats van leren hun eigen lichaam natuurlijk te bewegen.

Daarom is het belangrijk naar de technieken die je leert te kijken en je af te vragen: 1) begrijp ik deze techniek, en is het natuurkundig redelijk dat dit zou werken? 2) werkt het voor mijn doel, een “gevecht in een telefooncel” zonder toeschouwers? en 3) werkt het voor mij? Kan ik hier iets van maken dat een grote kans van slagen heeft?

Aan dode overlevering heb je niets; je moet aan technieken mogen sleutelen en je moet van een techniek mogen zeggen: ik weet niet wat dit moet voorstellen.

3. Maak je eigen “vorm”

In verschillende Aziatische gevechtsmethoden heb je een trainingsmethode die “vorm” wordt genoemd. Het is een aaneenschakeling van technieken die je individueel kunt lopen. Als je dit soort vormen een tijdje hebt gedaan, is het belangrijk je eigen vorm te maken. Dat dwingt je namelijk na te denken over een aantal dingen:

  • Welke technieken zijn het belangrijkst voor mij?
  • Welke technieken zou ik echt willen onthouden?
  • Welke technieken zou ik een ander willen onderwijzen?
  • Hoe zou ik deze techniek uitleggen?
  • Wat zijn de aanvallen waartegen deze techniek goed zou werken?
  • Waarom volgt op specifiek deze techniek deze volgende techniek?
  • Wat heeft deze techniek te bieden als alles mislukt?
  • Etc

Conclusie

Als docent is mijn doel altijd dat mijn leerlingen beter worden dan ik. Dat ze de beste versie van zichzelf kunnen worden die er kan bestaan. Ik ben als een soort short cut in hun leerproces: wat ik gedurende de jaren bij elkaar heb verzameld kan ik aan hen doorgeven en daardoor hoeven zij minder tijd te besteden om verder te komen.

Maar om het mogelijk te maken dat ze echt goed worden, moet ik als docent zelf ook uit de weg. Ik moet ervoor waken dat ik misbruik maak van de machtsverhouding om van mijn leerlingen te winnen. Ik moet het ego loslaten waarmee ik de oefensituatie zou controleren.

En ik moet scherp zijn op de niet-helpende illusies die zo aantrekkelijk zijn voor gevorderde spelers in het martial-arts veld: dat je bovennatuurlijke krachten kunt gebruiken, dat er een manier is om altijd te winnen, dat er mensen zijn die onoverwinnelijk zijn.

En ter afsluiting: “martial arts” is een onzinwoord. “Heiho” (兵法) betekent “militaire methodes”. Het heeft nooit “gevechtskunsten” betekend. Vechten is geen kunst. Echte competentie gaat over het loslaten van illusies, het loslaten van uiterlijk vertoon en het loslaten van spektakel. Militaire methodes zijn niets speciaals.
———————————————————–
* Congres “Het gebruik van chi/ki in de sport”, Papendal 12 november 2010, door FOG en AN ihkv Leven Lang Sporten.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *